ECLI:NL:RBDHA:2020:2710
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid bekering Quannengshen
Eiser, van Chinese nationaliteit, diende in 2015 een eerste asielaanvraag in met als grond zijn bekering tot de christelijke stroming Quannengshen en de daaruit voortvloeiende problemen in China. Deze aanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond en de afwijzing werd bevestigd in hoger beroep, waardoor het besluit onherroepelijk werd.
In 2019 diende eiser een opvolgende asielaanvraag in, waarin hij zich opnieuw op zijn bekering beriep en verwees naar gewijzigde beleidsregels (WI 2018/10). De staatssecretaris wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat eiser onvoldoende inzicht had gegeven in zijn bekering en dat de overgelegde documenten geen nieuw bewijs vormden.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk oprecht bekeerd was tot Quannengshen, mede vanwege vage en tegenstrijdige verklaringen over zijn geloofsbeleving en activiteiten. Ook werd de overgelegde brief van een geloofsgenoot niet als objectief bewijs erkend. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat eiser bij terugkeer in China in verhoogde mate risico liep op vervolging.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de aanvraag terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.