ECLI:NL:RBDHA:2020:2740
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken geldige mvv en onvoldoende onderbouwing
Verzoeker, een Turkse staatsburger, diende op 17 mei 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige bij een carwash. De staatssecretaris wees de aanvraag bij besluit van 22 augustus 2019 af omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Tevens ontbraken essentiële stukken zoals een uittreksel uit het handelsregister en een volledig ingevulde verklaring omtrent inkomen.
Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voerde onder meer aan dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, dat hij in Nederland wilde verblijven bij familie en dat de motivering van het terugkeerbesluit onvoldoende was. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoeker niet aan de voorwaarden voldeed, dat het verzoek om een voorlopige voorziening ongegrond was en dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had.
De rechtbank stelde dat de staatssecretaris terecht niet ambtshalve toetste op grond van artikel 8 EVRM Pro en dat verzoeker vrij stond een aparte aanvraag daarvoor in te dienen. Ook was er geen aanleiding om af te wijken van het beleid op grond van artikel 4:84 Awb Pro. De vertrektermijn van 28 dagen was conform de wet en voldoende gemotiveerd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard wegens niet voldoen aan mvv-vereiste en onvoldoende onderbouwing.