Eiser, van Egyptische nationaliteit, werd in het kader van de grensprocedure in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van deze maatregel onrechtmatig was voorafgaand aan de opheffing op 2 maart 2020.
De rechtbank overwoog dat verweerder tot en met het nader gehoor op 25 februari 2020 het onderzoek naar de asielaanvraag redelijkerwijs mocht voortzetten. Echter, verweerder handelde niet voortvarend door pas na zes dagen de maatregel op te heffen, terwijl op het moment van het nader gehoor alle relevante informatie beschikbaar was om een beslissing te nemen.
Hierdoor was de bewaring onrechtmatig vanaf 27 februari 2020. De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €320,- voor vier dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van €1050,-. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door rechter S. Ok.