ECLI:NL:RBDHA:2020:2998
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuw gebleken feiten en onvoldoende bescherming in Pakistan
Eiseres, een Pakistaanse vrouw met minderjarige kinderen, diende een opvolgende asielaanvraag in na eerdere afwijzingen. Zij stelde dat zij en haar kinderen in Pakistan gevaar lopen door bedreigingen van haar voormalige schoonfamilie vanwege eerwraak. Ter onderbouwing overhandigde zij rechtbankdocumenten uit Pakistan, maar de authenticiteit daarvan kon niet worden vastgesteld.
De rechtbank overwoog dat verweerder de aanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. De bedreigingen waren reeds in eerdere procedures aanvaard, maar niet aannemelijk gemaakt als nieuw feit. Het rechtbankdocument was niet authentiek vastgesteld en kon daarom niet als objectief bewijs dienen. Ook is niet gebleken dat de Pakistaanse autoriteiten geen bescherming bieden.
Verder is vastgesteld dat eiseres een vestigingsalternatief heeft buiten de bedreigde regio. De Bahaddar-exceptie, die bescherming biedt tegen behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, kon niet worden toegepast. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.