ECLI:NL:RBDHA:2020:3014
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisaanvragen na meerderjarigheid referent en toetsing gezinsleven
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen tot machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis en gezinshereniging. De referent, die aanvankelijk minderjarig was bij de asielaanvraag, was bij de opvolgende nareisaanvraag meerderjarig geworden. Verweerder wees de aanvragen af omdat alleen ouders van een minderjarige vreemdeling in aanmerking komen voor nareis op grond van de richtlijn 2003/86/EG.
Eisers voerden aan dat de beoordeling van de minderjarigheid moest plaatsvinden op het moment van de asielaanvraag, gesteund op het arrest A. en S. van het Hof van Justitie. De rechtbank oordeelde dat dit alleen geldt indien de nareisaanvraag binnen drie maanden na de asielaanvraag wordt gedaan, wat hier niet het geval was. De rechtbank verwierp het beroep op de minderjarigheid bij de opvolgende aanvraag en bevestigde dat de referent niet als alleenstaande minderjarige kon worden aangemerkt.
Daarnaast stelde eiser 2 dat het gezinsleven tussen hem en de referent als broers versoepeld getoetst moest worden. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro aannam, omdat geen hechte persoonlijke banden waren aangetoond die de gebruikelijke omgang overstijgen. Ook werd vastgesteld dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld in eerdere communicatie, maar dat dit niet leidde tot een onrechtmatig besluit.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eisers werden vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. De uitspraak werd gedaan door rechter E.I. Terborg-Wijnaldum op 1 april 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvragen wordt ongegrond verklaard omdat de referent meerderjarig was bij de aanvraag en er geen sprake is van gezinsleven volgens artikel 8 EVRM.