Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring vond plaats tijdens de grensprocedure, waarbij de behandeling werd beïnvloed door de coronapandemie en de daaraan verbonden maatregelen zoals social distancing en het opschorten van gehoren.
Eiseres stelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat zij onterecht een incubatieperiode moest ondergaan, terwijl zij geen klachten had en niet uit een risicogebied kwam. Daarnaast voerde zij aan dat de langere rust- en voorbereidingstermijn (RVT) niet gerechtvaardigd was en dat de bewaring niet binnen de maximale termijn van vier weken zou worden beëindigd. De rechtbank oordeelde dat de term incubatieperiode onzorgvuldig was gebruikt, maar dat een langere RVT wettelijk is toegestaan en dat de aanvraag binnen de termijn van vier weken wordt behandeld.
Verder voerde eiseres aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat in een vergelijkbare zaak de bewaring was opgeheven. De rechtbank stelde dat elke zaak op zijn eigen merites wordt beoordeeld en dat de omstandigheden in de vergelijkbare zaak anders waren. Ook de klachten over het ontbreken van procedurele waarborgen en de bezwarende detentie werden door de rechtbank niet gehonoreerd, mede omdat communicatie met de gemachtigde mogelijk bleef en klachten over het regime bij het detentiecentrum buiten de beoordeling van de bewaring vallen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.