ECLI:NL:RBDHA:2020:3338
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure wegens niet-horen vreemdeling
Eiser, een Syrische vreemdeling, werd op 21 maart 2020 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van de grensprocedure. De rechtbank onderzocht het beroep tegen deze maatregel, waarbij vanwege COVID-19 maatregelen het horen van eiser niet in persoon of via telehoor mogelijk was. De rechtbank hoorde alleen de gemachtigden telefonisch.
De rechtbank stelde vast dat zij niet voldeed aan de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorgeschreven wijze van horen, zoals uiteengezet in ECLI:NL:RVS:2020:991. Hierdoor was de maatregel vanaf de sluiting van het onderzoek op 6 april 2020 onrechtmatig. De rechtbank beval de opheffing van de maatregel per 10 april 2020 en kende eiser een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige bewaring.
Verder oordeelde de rechtbank dat de vrijheidsontnemende maatregel over de periode van 21 maart tot 6 april 2020 rechtmatig was en dat de grondslag van de maatregel juist was, omdat eiser zich op de buitengrens van het Schengengebied bevond bij zijn asielaanvraag. Ook verwierp de rechtbank de bezwaren tegen de verlenging van de rust- en voorbereidingstijd en het ontbreken van zicht op uitzetting. De proceskosten werden aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven met ingang van 10 april 2020 en eiser ontvangt een schadevergoeding van €400,-.