Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
Rechtbank Den Haag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde aan eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, een maatregel van bewaring op op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
Vanwege de coronamaatregelen was het praktisch onmogelijk om eiser persoonlijk te horen, wat normaal verplicht is volgens de Vreemdelingenwet. De rechtbank overwoog dat het belang van het horen niet absoluut is en dat in bijzondere omstandigheden, zoals de huidige pandemie, hiervan kan worden afgezien zolang de rechten van de vreemdeling voldoende worden gewaarborgd.
De rechtbank stelde vast dat eiser via zijn gemachtigde schriftelijk zijn standpunten kon kenbaar maken, hetgeen voldeed aan de vereisten van artikel 5 EVRM Pro. Daarnaast faalde het verweer dat het verdedigingsbeginsel was geschonden doordat eiser niet met zijn advocaat kon spreken; er was geen bewijs dat contact onmogelijk was.
Ook de omstandigheden in het detentiecentrum als gevolg van de coronamaatregelen waren onvoldoende om de bewaring te beëindigen. De rechtbank wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af en concludeerde dat de belangen van de staatssecretaris bij voortzetting van de bewaring zwaarder wogen dan die van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.