Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2020:3113

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2020
Publicatiedatum
6 april 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3327
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen opschorting Participatiewet-uitkering en proceskostenvergoeding

Eiseres ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Verweerder schortte de uitkering per 7 januari 2019 op omdat eiseres niet tijdig bankafschriften over december 2018 had aangeleverd, noodzakelijk vanwege het bereiken van meerderjarigheid van haar dochter op 15 januari 2019. Na aanlevering van de bankafschriften werd de opschorting opgeheven en de uitkering aangepast.

Eiseres stelde dat zij niet in verzuim was omdat het relevante banksaldo dat van 15 januari 2019 was en dat verweerder niet gerechtigd was bankafschriften van voor die datum op te vragen. Verweerder handhaafde het besluit en wees het bezwaar af, onder meer omdat de uitkering inmiddels was uitbetaald en er geen procesbelang meer zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat het beroep feitelijk geen resultaat meer kan hebben, maar dat er wel procesbelang bestaat bij de beoordeling van het verzoek om proceskostenvergoeding. Omdat de gemachtigde tevens de bewindvoerder is, en een bewindvoerder niet wordt gezien als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, zijn de kosten niet vergoedingswaardig.

Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af en verklaarde het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter M.P. Verloop op 30 maart 2020.

Uitkomst: Het beroep tegen de opschorting van de uitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/3327

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [A] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder

(gemachtigde: N.T. Bui).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres toegekende uitkering krachtens de Participatiewet (Pw) per 7 januari 2019 opgeschort.
Bij besluit van 15 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020.
Eiseres noch haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1
Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering (naar de norm van alleenstaande ouder).
1.2
Bij brief van 28 december 2018 heeft verweerder aan eiseres via haar bewindvoerder verzocht bankafschriften van de afgelopen maand (december 2018) vóór 7 januari 2019 in te zenden en daarbij vermeld dat de reden hiervoor is dat de dochter van eiseres op 15 januari 2019 18 jaar wordt, dat eiseres daarom niet meer aangemerkt zal worden als alleenstaande ouder en dat als gevolg hiervan opnieuw haar vermogen dient te worden vastgesteld.
1.3
Bij het primaire besluit van 15 januari 2019 heeft verweerder de aan eiseres toegekende uitkering krachtens de Participatiewet (PW) per 7 januari 2019 opgeschort.
1.4
De bewindvoerder van eiseres heeft op 17 januari 2019 de gevraagde bankafschriften opgestuurd.
1.5
Bij besluit van 29 januari 2019 heeft verweerder de opschorting opgeheven, de uitkering voortgezet en de PW-uitkering van eiseres per 15 januari 2019 gewijzigd naar de norm van alleenstaande. De uitkering over de maand januari 2019 is op 31 januari 2019 aan eiseres uitbetaald.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de PW-uitkering van eiseres terecht is opgeschort per 7 januari 2019, nu eiseres niet voor deze datum de gevraagde bankgegevens heeft overgelegd. Voorts is verweerder van mening dat nu de uitkering over de maand januari 2019 alsnog is uitbetaald eiseres op zich geen procesbelang meer heeft. Het bezwaar moet evenwel toch ontvankelijk worden geacht, omdat eiseres in bezwaar heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten, in het bijzonder de kosten van rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding van proceskosten dient echter volgens verweerder te worden afgewezen.
3. Eiseres voert aan dat zij niet in verzuim is geweest. Het saldo van eind december 2018 is niet relevant voor het opnieuw vaststellen van het vermogen van eiseres. Zij was immers op dat moment nog steeds een alleenstaande ouder. Het relevante banksaldo is dat van 15 januari 2019, zijnde de dag dat zij geen alleenstaande ouder is. Nu het doel van het opvragen van de bankafschriften was om het vermogen om te zetten naar de norm van alleenstaande per 15 januari 2019, was verweerder niet gerechtigd om de bankafschriften van voor 15 januari 2019 op te vragen.
Subsidiair stelt eiseres dat de opschorting niet per 7 januari 2019 kon plaatsvinden, maar per 15 januari 2019, zijnde de datum van het primaire besluit.
4.1
De rechtbank overweegt als volgt.
4.2
Allereerst dient te worden beoordeeld of eiseres voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor het bestaan van voldoende procesbelang is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met zijn beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
4.3
De rechtbank stelt vast dat de opschorting van de uitkering is opgeheven en dat aan eiseres in de maand januari 2019 een Pw-uitkering is betaald. Daarmee kan eiseres op zich met haar beroep feitelijk niets meer bereiken. Nu eiseres echter in bezwaar heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten, heeft eiseres nog wel een procesbelang bij de beoordeling van de tegen de opschorting aangevoerde gronden (ECLI:NL:CRVB:2018:507). Ter beoordeling ligt daarom voor of verweerder aanleiding had moeten zien aan eiseres proceskosten in bezwaar te vergoeden.
4.4
Ingevolge het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het is de rechtbank gebleken dat het bezwaarschrift en het beroepschrift zijn ingediend door [A] die tevens de bewindvoerder van eiseres is. Een bewindvoerder die optreedt als wettelijk vertegenwoordiger van een natuurlijk persoon kan niet worden gelijk gesteld met een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Het voeren van procedures is namelijk onderdeel van de taak van een door de rechtbank benoemde bewindvoerder. Dit betekent dat het salaris van een bewindvoerder mede is bedoeld om de kosten te dekken die procederen met zich brengt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn daarom de door de bewindvoerder gemaakte kosten niet aan te merken als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
4.5
Gelet hierop heeft verweerder terecht het verzoek van eiseres om vergoeding van proceskosten in bezwaar afgewezen. Aan de beoordeling van de overige beroepsgronden komt de rechtbank daarom niet toe. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier rechter
de griffier is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.