ECLI:NL:RBDHA:2020:3113
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen opschorting Participatiewet-uitkering en proceskostenvergoeding
Eiseres ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Verweerder schortte de uitkering per 7 januari 2019 op omdat eiseres niet tijdig bankafschriften over december 2018 had aangeleverd, noodzakelijk vanwege het bereiken van meerderjarigheid van haar dochter op 15 januari 2019. Na aanlevering van de bankafschriften werd de opschorting opgeheven en de uitkering aangepast.
Eiseres stelde dat zij niet in verzuim was omdat het relevante banksaldo dat van 15 januari 2019 was en dat verweerder niet gerechtigd was bankafschriften van voor die datum op te vragen. Verweerder handhaafde het besluit en wees het bezwaar af, onder meer omdat de uitkering inmiddels was uitbetaald en er geen procesbelang meer zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat het beroep feitelijk geen resultaat meer kan hebben, maar dat er wel procesbelang bestaat bij de beoordeling van het verzoek om proceskostenvergoeding. Omdat de gemachtigde tevens de bewindvoerder is, en een bewindvoerder niet wordt gezien als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, zijn de kosten niet vergoedingswaardig.
Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af en verklaarde het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter M.P. Verloop op 30 maart 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de opschorting van de uitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.