Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[executeur 1], te [plaats 1],
[A], overleden te [plaats van overlijden] op [datum overlijden],
Rechtbank Den Haag
De overledene [A] stelde in zijn testament van 29 maart 2013 meerdere stichtingen aan als erfgenamen, waaronder Stichting Fonds voor het Hart. Deze stichting was echter op dat moment niet meer actief; de oorspronkelijke stichting met die naam was al ontbonden en vervangen door een andere entiteit met dezelfde naam maar een andere juridische identiteit. De executeurs van de nalatenschap stelden dat de in het testament genoemde stichting niet bestond en dat de huidige Stichting Fonds voor het Hart niet als erfgenaam kon worden beschouwd.
De stichting voerde aan dat zij de doelstellingen van de oorspronkelijke stichting had overgenomen en dat dit de bedoeling van de erflater moest zijn geweest, waarbij zij zich beroept op artikel 4:46 lid 3 BW Pro voor een vergissing in de aanduiding van de erfgenaam. De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder de geschiedenis van de stichtingen, de statutaire wijzigingen, en de verklaringen van de executeurs.
De rechtbank concludeerde dat de stichting die in het testament werd genoemd niet meer bestond en dat de huidige stichting niet als rechtsopvolger kon worden beschouwd. Er was onvoldoende bewijs dat de erflater de nieuwe stichting als erfgenaam had bedoeld. De vordering van de stichting werd daarom afgewezen, terwijl de executeurs werden toegewezen in hun vordering dat de stichting geen erfgenaam is. De stichting werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Stichting Fonds voor het Hart af en verklaart dat zij geen erfgenaam is van [A].