Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser/verzoeker] ,
[dochter], geboren op
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Cypriotische vader en zijn minderjarige dochter tegen het besluit van de IND om hun verblijfsrecht te beëindigen. De vader was sinds januari 2017 in Nederland gevestigd, zijn dochter voegde zich in september 2018 bij hem. De moeder van de dochter, die in Nederland werkt, heeft een zelfstandig verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelde dat de dochter rechtmatig verblijf heeft als directe bloedverwant van haar moeder en dat het besluit van de IND ten aanzien van haar verblijfsrecht onvoldoende zorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd was. Ook het besluit ten aanzien van de vader kon niet in stand blijven, omdat de IND uitging van een onjuist feitencomplex en onvoldoende rekening hield met de verblijfsrechtelijke positie van de dochter.
Daarnaast werd geoordeeld dat de hoorplicht was geschonden doordat de IND niet heeft gehoord. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de IND de opdracht binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de belangen opnieuw moeten worden afgewogen en de betrokkenen gehoord moeten worden. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank reeds op het beroep had beslist.
Uitkomst: Het besluit van de IND tot beëindiging van het verblijfsrecht van de vader en zijn minderjarige dochter wordt vernietigd en de IND wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.