Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
ECLI:CE:ECHR:2019:1121JUD004728715.
ECLI:CE:ECHR:2019:1001JUD005746715.
ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Tadzjiekse nationaliteit, verzocht asiel in Nederland nadat zijn eerdere asielaanvraag in Duitsland was afgewezen. De Staatssecretaris nam zijn aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser betoogde dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet naleeft en dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege slechte opvangomstandigheden en medische problemen. Hij verwees naar jurisprudentie van het EHRM, waaronder de arresten Ilias en Ahmed, Savran en Tarakhel.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland deze verplichtingen niet nakomt. De enkele afwijzing van zijn asielverzoek in Duitsland en niet nader onderbouwde stellingen over slechte opvang en medische zorg zijn onvoldoende. Het arrest Ilias en Ahmed is niet van toepassing omdat het betrekking heeft op uitzetting buiten de EU. Ook het beroep op het arrest Tarakhel faalt, omdat geen vergelijkbare situatie is vastgesteld.
De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een risico op indirect refoulement of een schending van artikel 3 EVRM Pro en dat het bestreden besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.