ECLI:NL:RBDHA:2020:3777
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Dublinprocedure
Verzoeker, van Russische nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling volgens de Dublinverordening.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter besloot op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak te doen.
De rechtbank had bij een andere uitspraak het beroep in de bodemzaak niet-ontvankelijk verklaard. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet langer nodig. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak werd gedaan in het kader van maatregelen rondom het coronavirus zonder openbare zitting, met de mededeling dat het openbaar uitspreken zal volgen zodra dit weer mogelijk is. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de bodemzaak niet-ontvankelijk is verklaard.