ECLI:NL:RBDHA:2020:397
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht aan Kroatië op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Tevens verzocht eiser om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen.
De rechtbank overweegt dat Nederland op basis van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 het verzoek tot terugname aan Kroatië heeft gedaan, dat door Kroatië is aanvaard. Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast vanwege slechte behandeling in Kroatië, waaronder intimidatie, gebrek aan tolken en rechtsbijstand, en ontoereikende opvangvoorzieningen.
De rechtbank stelt vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt jegens Dublinterugkeerders. De door eiser ingeroepen rapporten en uitspraken betreffen vooral de situatie van illegale grensoverstekers, wat niet vergelijkbaar is met de situatie van overdracht volgens de Dublinverordening.
Daarnaast faalt het beroep op artikel 16 van Pro de Dublinverordening omdat de personen bij wie eiser wil verblijven niet tot de kring van naaste familieleden behoren zoals bedoeld in dat artikel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot overdracht aan Kroatië wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.