ECLI:NL:RBDHA:2020:4338
Rechtbank Den Haag
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiser, een Surinaamse nationaliteit, vroeg een visum kort verblijf aan om vijf weken bij zijn vriendin in Nederland te verblijven en zijn tante te bezoeken. Verweerder wees het visum af omdat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende aantoonde, onvoldoende inkomen en binding met Suriname kon bewijzen.
Eiser overlegde loonstroken, werkgeversverklaringen, huurbetalingen en een garantstelling, maar verweerder constateerde tegenstrijdigheden in loonstroken en twijfelde aan de echtheid van de werkzaamheden en het reisdoel. Ook vond verweerder de sociale binding met Suriname te zwak, mede door de duurzame relatie van eiser met een Nederlandse vrouw.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beoordelingsruimte heeft bij het toetsen van het voornemen tot terugkeer. Gezien de geringe sociale en economische binding met Suriname en de sterke binding met Nederland, bestaat redelijke twijfel over tijdige terugkeer. De rechtbank handhaafde daarom de afwijzing van het visum en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende binding met Suriname en redelijke twijfel over terugkeer.