ECLI:NL:RBDHA:2020:4414
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag familielid EU-burger wegens onvoldoende bewijs gezinsband en afhankelijkheid
Eiser, woonachtig in Marokko, vroeg een faciliterend visum aan om bij zijn vader, een Spaanse EU-burger, in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken kon aantonen dat hij familielid was van de EU-burger zoals vereist in de Verblijfsrichtlijn, noch dat hij financieel afhankelijk was van deze referent.
Eiser stelde dat de hoorplicht was geschonden en overhandigde in beroep alsnog een gelegaliseerde geboorteakte en een verklaring van de Marokkaanse autoriteiten over zijn afhankelijkheid. De rechtbank oordeelde dat deze stukken niet in de beroepsfase mogen worden betrokken en dat de enkele verklaring onvoldoende bewijs vormt van daadwerkelijke financiële afhankelijkheid.
De rechtbank verwierp ook het betoog dat de motivering van het primaire besluit onvoldoende was en dat verweerder had moeten horen. De verantwoordelijkheid voor een volledige aanvraag ligt bij eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van het visum bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van gezinsband en afhankelijkheid.