Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verzoekster,
Procesverloop
Overwegingen
te bezien of er mogelijkheden zijn om te bewerkstelligen dat de termijn voor de tenuitvoerlegging van de overdracht aanvangt met de beslissing op beroep”. Verzoeker vraagt hiermee, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, of de rechter de overdrachtstermijn van Dublinverordening wil omzeilen en daarmee een uitspraak wil doen die in strijd is met de ratio van de overdrachtstermijn, zoals opgenomen in de Dublinverordening. De voorzieningenrechter zal hier daarom niet in mee gaan. De ratio van de Dublinverordening is om snel duidelijkheid te verschaffen aan de vreemdeling over de verantwoordelijkheid van een lidstaat voor de behandeling van een asielverzoek en voorziet niet in het stuiten of schorsen van de overdrachtstermijn in een uitzonderlijke situatie, zoals de uitbraak van een pandemie op het grondgebied van de lidstaten. Verzoekster tracht met dit verzoek dan ook op oneigenlijke wijze te bewerkstelligen dat de overdrachtstermijn wordt gestuit en eerst aanvangt na de beslissing van de rechter op het beroep.
Mededeling van de Commissie – COVID-19: Richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU-bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging” van 17 april 2020 (2020/ 126/02). De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar de uitspraak van 21 april 2020, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2020:3658.
efficiënte en pragmatische oplossing voor alle partijen” zoals betoogd door verzoekster. Immers, voor betrokkene heeft het verstrijken van de overdrachtstermijn tot gevolg dat Nederland de behandeling van het asielverzoek aan zich moet trekken en dat is precies de inzet van de Dublinprocedure. De motivering dat met het schorsen van de overdrachtstermijn ook voor betrokkene een oplossing wordt beoogd is dan ook onbegrijpelijk.