ECLI:NL:RBDHA:2020:3658
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen verstrijken overdrachtstermijn in Dublinprocedure door coronamaatregelen
Verzoeker, een asielzoeker van Soedanese nationaliteit, heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij wordt overgedragen aan Frankrijk voordat het beroep op het bestreden besluit is behandeld. Dit verzoek kwam voort uit de situatie dat door de coronapandemie feitelijke overdrachten niet mogelijk zijn, waardoor de wettelijke overdrachtstermijn van zes maanden kan verstrijken.
De voorzieningenrechter overweegt dat de Dublinverordening geen mogelijkheid biedt om de overdrachtstermijn te verlengen of te stuiten vanwege pandemiegerelateerde beperkingen. Daarnaast is het uitgangspunt van de verordening dat de vreemdeling snel duidelijkheid krijgt over de verantwoordelijke lidstaat, wat zich verzet tegen het treffen van een voorlopige voorziening.
Hoewel verweerder zich niet verzet tegen het verzoek om voorlopige voorziening, acht de voorzieningenrechter dit niet consistent met het standpunt in andere procedures en ziet hij geen reden om ambtshalve een ordemaatregel te treffen. De voorzieningenrechter sluit aan bij de richtlijnen van de Europese Commissie van 17 april 2020, waarin wordt bevestigd dat de overdrachtstermijn niet kan worden opgeschort.
De rechtbank heeft tevens op dezelfde dag uitspraak gedaan op het beroep zelf, waardoor de noodzaak voor een voorlopige voorziening ontbreekt. Het verzoek wordt daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om de overdrachtstermijn te stuiten wordt afgewezen.