ECLI:NL:RBDHA:2020:4879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2020
Publicatiedatum
3 juni 2020
Zaaknummer
NL20.7712 en NL20.7713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid België

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat België als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen. De rechtbank overweegt dat de tijdelijke onmogelijkheid om de overdracht aan België uit te voeren geen onrechtmatigheid oplevert en dat eiser alsnog kan worden overgedragen zodra het beletsel is opgeheven.

De stelling van eiser dat zijn eerdere asielaanvraag in België is afgewezen, maakt de vaststelling van België als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het beroep ongegrond is.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd mondeling gedaan op 19 mei 2020 door de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, locatie Haarlem.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid België wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL20.7712 en NL20.7713
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL20.7712) en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL20.7713).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 19 mei 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting hebben de rechtbank en de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 april 2020 [1] , dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken. De omstandigheid dat de overdracht aan België op dit moment niet kan worden uitgevoerd is een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit maakt de vaststelling van België als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen. Eisers stelling dat zijn eerdere asielaanvraag in België is afgewezen, maakt de vaststelling van België als verantwoordelijke lidstaat evenmin onrechtmatig.
2. Het beroep is ongegrond.
3. Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. M. Kraefft, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.D. Ancion, griffier, op 19 mei 2020.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.