ECLI:NL:RBDHA:2020:4880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2020
Publicatiedatum
3 juni 2020
Zaaknummer
NL20.10454
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring wegens tijdelijke belemmering uitzetting

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat vanwege het coronavirus geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en dat een lichter middel dan vrijheidsontneming had moeten worden toegepast.

De rechtbank overwoog dat het voortduren van de maatregel tot 1 april 2020 reeds rechtmatig was vastgesteld in een eerdere uitspraak. De vraag was nu of de maatregel sinds dat moment nog rechtmatig was. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het coronavirus als een tijdelijke belemmering aanmerkt, waardoor uitzetting binnen een redelijke termijn nog mogelijk blijft.

Verder werd het argument van eiser dat verblijf bij een vriendin een lichter middel rechtvaardigt, verworpen omdat eiser hierover tegenstrijdige verklaringen had afgelegd en dit niet had onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.10454

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 februari 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 april 2020 (in de zaak NL20.7486) volgt dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, namelijk op 1 april 2020, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is vanwege het coronavirus. Eiser is nu ruim drie maanden in bewaring, terwijl er nog steeds geen vluchten naar Marokko kunnen plaatsvinden.
4.1
Dat er geen vliegverkeer naar Marokko mogelijk is, is reeds betrokken bij de uitspraak van 6 april 2020. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) waarin is geoordeeld dat de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus op dit moment nog aan te merken zijn als een tijdelijke belemmering. Het is weliswaar niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dit moment kan nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan vrijheidsontneming. Uit het dossier blijkt dat de vriendin van eiser [vriendin] telefonisch aan de Dienst Terugkeer en Vertrek heeft aangegeven dat eiser op haar adres in Amsterdam kan verblijven.
5.1
Deze beroepsgrond is reeds betrokken bij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 februari 2020 (NL20.3217) inzake het beroep tegen de maatregel van 3 februari 2020. Daarin heeft de rechtbank het volgende geoordeeld. Dat eiser een vriendin in Nederland zou hebben, leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat eiser, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, hierover tegenstrijdig heeft verklaard en zijn stelling niet heeft onderbouwd. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op:
Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.