ECLI:NL:RBDHA:2020:5259
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Eiser, voormalig fulltime medewerker housekeeping, meldde zich in 2012 ziek en werd in 2014 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard. Na een ziekmelding in 2017 en toegenomen klachten in 2018 weigerde het UWV een WIA-uitkering, omdat volgens hen geen sprake was van toegenomen beperkingen. Eiser betwistte dit en stelde dat zijn pijnklachten en beperkingen waren toegenomen door dunne vezel polyneuropathie, diabetes en psychische problematiek.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die eiser onderzocht en concludeerde dat de neuropathische klachten weliswaar progressief en pijnlijk zijn, maar dat dit niet leidde tot wezenlijke toename van objectieve beperkingen ten opzichte van de eerdere Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2014. De deskundige achtte een urenbeperking niet aangewezen en vond de beperkingen uit 2014 en 2019 adequaat.
De rechtbank volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen en deskundige op goede gronden berust. Hoewel eiser oprechte klachten heeft, kunnen deze niet worden vertaald in objectief vastgestelde beperkingen die recht geven op een WIA-uitkering. Ook de arbeidsdeskundige concludeerde dat eiser geschikt is voor verschillende functies. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.