ECLI:NL:CRVB:2020:2948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling door UWV
Appellant was werkzaam als medewerker housekeeping en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV weigerde per 5 mei 2014 een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt werd geacht voor diverse functies. Na een nieuwe ziekmelding in 2017 beëindigde het UWV de Ziektewet-uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor ten minste één functie uit de WIA-beoordeling.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij meer beperkingen had, waaronder psychische klachten en een urenbeperking. Diverse medische rapporten, waaronder van een onafhankelijke neuroloog en verzekeringsarts, werden overgelegd. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanleiding gaf tot twijfel over de juistheid van het UWV-standpunt.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad vond dat de beperkingen van appellant overeenkwamen met eerdere vaststellingen en dat een urenbeperking niet medisch was onderbouwd. Ook het verzoek om een onafhankelijk deskundige werd afgewezen. De Raad concludeerde dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies en bevestigde het bestreden besluit en de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.