ECLI:NL:RBDHA:2020:5270
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning ouders geworteld minderjarig kind wegens onvoldoende belangenafweging
Eisers, ouders van een in Nederland geworteld minderjarig kind met een zelfstandige verblijfsvergunning, kregen hun verblijfsvergunningen ingetrokken met terugwerkende kracht omdat eiser niet langer als zelfstandige werkte, maar in loondienst. De intrekking leidde ertoe dat zij Nederland moesten verlaten, terwijl hun dochter in Nederland mocht blijven.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met het belang van het kind en de gevolgen voor het gezinsleven, zoals vereist op grond van artikel 8 EVRM Pro. Ook werd onvoldoende gemotiveerd waarom de intrekking gerechtvaardigd was, terwijl er geen sprake was van fraude of misleiding en eiser in loondienst mocht werken mits dit tijdig werd gemeld.
De rechtbank stelde vast dat de belangenafweging niet deugde, met name omdat de ontwikkeling en ontplooiing van het kind in Nederland in het geding waren en verweerder onvoldoende inzicht gaf in de weging van medische en financiële omstandigheden van eisers.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan eisers toegekend.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de intrekking van de verblijfsvergunningen van de ouders en draagt op tot een nieuw besluit binnen zes weken.