ECLI:NL:RBDHA:2023:14294
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning familie- of gezinslid wegens verbroken relatie
Eiseres, houdster van de Surinaamse nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij haar ex-partner. Verweerder heeft deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 20 juli 2021, omdat de relatie volgens de verklaring van de ex-partner toen is verbroken. Eiseres heeft dit betwist en aangevoerd dat zij tot 2 december 2021 samenwoonde en dat huiselijk geweld de oorzaak was van de relatiebreuk.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van de verklaring van de ex-partner en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de relatie later is verbroken. Het samenwonen na de breuk is een eigen keuze en geen bewijs van een duurzame relatie. Ook is onvoldoende objectief bewijs geleverd van huiselijk geweld, aangezien politiegegevens geen meldingen van huiselijk geweld bevatten en de overgelegde stukken onvoldoende onderbouwd zijn.
Verder is het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen omdat de aangehaalde vergelijkbare zaak wezenlijk verschilt door het bestaan van politiebrieven met geregistreerde meldingen. De rechtbank acht de intrekking niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro, mede gezien de verbroken relatie en het verblijfsrecht van eiseres op grond van een EU-verblijfsdocument.
Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit. De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt verweerder niet tot proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.