ECLI:NL:RBDHA:2020:5480

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2020
Publicatiedatum
18 juni 2020
Zaaknummer
NL20.11162
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot het moment van het sluiten van het vorige onderzoek. Het geschil spitste zich toe op de vraag of sinds dat moment de maatregel nog rechtmatig was, mede gezien de annulering van meerdere vluchten vanwege de coronapandemie.

De eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde, onder meer door geen alternatieve vertrekmogelijkheden te benutten. De rechtbank overwoog dat een tijdelijk gesloten luchtruim een tijdelijke belemmering vormde, maar dat er inmiddels vooruitzicht was op opheffing van deze belemmeringen door versoepeling van coronamaatregelen.

Verder bleek uit de voortgangsrapportage dat de staatssecretaris vertrekgesprekken had gevoerd en direct na annulering van een vlucht een nieuwe vlucht had geboekt. De eiser had zijn stelling over alternatieve vertrekwegen niet onderbouwd. Daarom oordeelde de rechtbank dat de maatregel van bewaring rechtmatig bleef en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.11162

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. P.J.J. van de Kerkhof),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 april 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd en partijen hebben hun reacties ingezonden.
De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is gesloten op 2 juni 2020.

Overwegingen

1. Gelet op de inhoud van het dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 mei 2020 (in de zaak NL20.10889) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 19 mei 2020) de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er al drie vluchten zijn geannuleerd en dat er daarom geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Daarnaast stelt eiser dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt aan de uitzetting. Met mogelijkheden voor vertrek langs een andere weg (met een chartervlucht) wordt door verweerder niets gedaan, aldus eiser.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) over zicht op uitzetting in bewaringszaken gedurende de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus, volgt dat een gesloten luchtruim op het moment van de uitspraak nog een tijdelijke belemmering was. De rechtbank ziet nu geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat de voor eiser op 23 mei 2020 geboekte vlucht naar Oekraïne opnieuw is geannuleerd, kennelijk in verband met het coronavirus, betekent dan ook niet dat uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat voor eiser een nieuwe vlucht is geboekt voor 1 juli 2020. Niet gezegd kan worden dat al duidelijk is dat deze vlucht zal worden geannuleerd en dat thans moet worden geconcludeerd dat uitzetting niet binnen een redelijke termijn zal kunnen plaatsvinden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat er inmiddels enig vooruitzicht is op de opheffing van de aan het coronavirus gerelateerde feitelijke uitzettingsbelemmeringen, gelet op de versoepeling van de beperkingen die door diverse landen al zijn doorgevoerd.
7. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat verweerder vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en voorts dat verweerder na de annulering van de vlucht van 23 mei 2020 direct een nieuwe vlucht heeft geboekt voor eiser, namelijk voor 1 juli 2020. Verweerder heeft aangegeven dat dit de eerstvolgende mogelijkheid voor een vlucht naar Kiev is. Nu eiser zijn stelling dat hij eerder langs een andere weg (met een chartervlucht) zou kunnen vertrekken, niet nader heeft onderbouwd, kan niet worden gezegd dat verweerder in dit verband met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiser werkt.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van
H.J. Renders, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 3 juni 2020
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.