Eiseres was werkzaam als productiemedewerker en viel in februari 2017 uit met lichamelijke klachten, waarna zij een ziektewetuitkering ontving. Na de eerstejaars ziektewetbeoordeling in april 2018 werd haar uitkering stopgezet omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies. Eiseres ging in bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.
In december 2018 meldde eiseres zich opnieuw ziek en ontving zij vanaf maart 2019 weer een ziektewetuitkering. Op 1 juli 2019 werd zij door een verzekeringsarts beoordeeld, die concludeerde dat haar medische situatie niet was veranderd en dat zij geschikt was voor ten minste één van de eerder geselecteerde functies. Daarom werd de uitkering per 8 juli 2019 beëindigd.
Eiseres maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen waren onderschat en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) bevestigde de eerdere beoordeling, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat de medische rapporten zorgvuldig, begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden waren opgesteld. De medische informatie, waaronder gegevens van het Erasmus MC en het Reinier de Graaf ziekenhuis, ondersteunde de conclusie dat de situatie van eiseres niet was verslechterd. De rechtbank vond dat de klachten goed waren ingeschat en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de medische beoordeling onjuist was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de ziektewetuitkering terecht was beëindigd per 8 juli 2019.