Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2020:5764

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2020
Publicatiedatum
25 juni 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3492
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de gemeente om haar aanvraag voor maatschappelijke opvang af te wijzen. Zij vreesde dakloos te worden met haar minderjarige kinderen en stelde dat zij geen opvang meer kon vinden binnen haar netwerk.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een zodanig spoedeisend belang dat niet kon worden gewacht op de uitkomst van de bezwaarprocedure. Verzoekster had onvoldoende onderbouwd dat zij geen opvang meer kon vinden en de gemeente had toegezegd opvang te regelen mocht zij daadwerkelijk dakloos worden.

De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en bepaalde dat verzoekster geen griffierecht hoefde te betalen wegens betalingsonmacht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/3492
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van
[verzoekster] mede in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen [minderjarige] en [minderjarige], te Den Haag, verzoekster
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: J.A. Bogaards).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toegelaten te worden tot de maatschappelijk opvang afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, alsmede door [begeleidster] (begeleidster). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van de griffierechten wegens betalingsonmacht. Verzoekster heeft daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen. Verzoekster hoeft dan ook geen griffierecht te betalen.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
4. Verzoekster heeft over het gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat zij geen dag langer meer bij mevrouw [A] mag verblijven. Hetgeen tot gevolg heeft dat zij nog diezelfde middag dakloos zal zijn en met haar twee minderjarige kinderen op straat staat. In dat geval zullen de kinderen worden ondergebracht door de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoekster vreest dat die situatie zowel voor haar kinderen als voor haar tot beschadiging zal leiden.
5. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de beslissing in de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht en overweegt daartoe het volgende. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij binnen haar sociaal netwerk niet meer in opvang kan voorzien. Haar stelling dat zij haar hele netwerk heeft uitgeput heeft zij niet stukken onderbouwd. Hetgeen ook geldt voor haar stelling dat zij niet langer bij mevrouw [A] kan verblijven. Daarnaast is ter zitting gebleken dat verzoekster van het daklozenloket de toezegging heeft ontvangen dat mocht zij met haar kinderen daadwerkelijk op straat komen te staan, er opvang voor haar en haar kinderen zal worden geregeld. Van een levensbedreigende en onomkeerbare situatie is derhalve geen sprake.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.