Eiser, geboren in 1990 en houder van de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, is veroordeeld wegens deelname aan een terroristische organisatie in Syrië. Verweerder heeft op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) het Nederlanderschap ingetrokken en eiser tot ongewenst vreemdeling verklaard vanwege een gevaar voor de nationale veiligheid.
De rechtbank overweegt dat het strafvonnis voldoende bewijs levert dat eiser zich ook na 11 maart 2017 bij de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra heeft aangesloten. Verweerder heeft zijn motiveringsplicht voldaan en eiser heeft geen tegenbewijs geleverd. De belangenafweging, waaronder de mogelijke belemmering van strafvervolging, is volgens de rechtbank adequaat gemaakt, mede door de mogelijkheid van tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
Het verbod op willekeur en discriminatie wordt niet geschonden, aangezien de maatregel gebaseerd is op gedragingen die de nationale veiligheid bedreigen en niet op ras, etnische afkomst of nationaliteit. De intrekking is proportioneel en noodzakelijk ter bescherming van de nationale veiligheid, waarbij rekening is gehouden met het verlies van het Unieburgerschap.
De ongewenstverklaring is eveneens gerechtvaardigd vanwege het gevaar voor de nationale veiligheid en het belang van internationale betrekkingen. Er is geen sprake van schending van het recht op privé- en gezinsleven. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af.