ECLI:NL:RBDHA:2020:5799

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2020
Publicatiedatum
29 juni 2020
Zaaknummer
NL20.6741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 AwbArtikel 3 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Italië

De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag volgens de Dublinverordening.

Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer kan gelden jegens Italië vanwege ontoereikende opvangvoorzieningen en de ontregeling door het coronavirus. Hij verwijst naar een rapport van de Swiss Refugee Council uit januari 2020 en stelt dat Italië niet binnen de gestelde termijn kan voldoen aan zijn opvangverplichtingen.

De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat het vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in eerdere uitspraken bevestigd dat Nederland in het algemeen op Italië kan vertrouwen. Het rapport en de coronasituatie bieden onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken. Ook het persoonlijke relaas van eiser geeft geen reden om het besluit te vernietigen.

Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.P.W. van de Ven en griffier A.W. Martens en is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublinverordening Italië wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Noord-Holland
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.6741

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft met toestemming van partijen het onderzoek gesloten zonder het houden van een zitting, conform het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser voert aan dat verweerder ten opzichte van Italië niet langer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken dat eiser in Italië toegang heeft tot opvangvoorzieningen. Eiser verwijst naar het recente rapport van het van de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van januari 2020 “Reception conditions in Italy. Updated report on the situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees, in Italy”. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat vanwege het Corona-virus Italië zodanig ontregeld is dat het binnen de gestelde termijn van de overdracht niet in staat is om asielzoekers op te vangen.
3. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) en 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) heeft geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De lijn in deze uitspraken is recent bevestigd door de Afdeling in een drietal uitspraken van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986, 987 en 1032). De rechtbank ziet in wat door eiser is aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraken. Zo heeft de Afdeling het rapport van SFH/OSAR van januari 2020 al betrokken bij de uitspraak van 8 april 2020 en daarover geoordeeld dat er uit dat rapport geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren komt dan al bekend was ten tijde van de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019. Daarnaast is de enkele stelling dat Italië door het coronavirus niet meer aan zijn internationale verplichtingen kan voldoen, onvoldoende voor het oordeel dat het Italiaanse asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat eiser bij overdracht een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM. Ten slotte biedt ook het persoonlijk relaas van eiser geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure in Italië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. Het beroep is daarom ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken op:
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.