ECLI:NL:RBDHA:2020:5897
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Iraakse nationaliteit en homoseksueel, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij eerder in Zweden asiel had aangevraagd. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser voerde aan dat Zweden zijn verplichtingen niet nakomt en dat overdracht tot indirect refoulement zou leiden, verwijzend naar het arrest Jawo en rapporten van het US Department of State en AIDA. De rechtbank oordeelde echter dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Zweden zijn internationale verplichtingen niet naleeft.
De rechtbank benadrukte dat de beoordeling van de gegronde vrees voor vervolging aan Zweden toekomt en dat er rechtsmiddelen en klachtenmogelijkheden in Zweden bestaan. Het beroep op het arrest Gnandi en de beschikking C., J. en S. faalde omdat er geen sprake was van een terugkeerbesluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees erop dat hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.