ECLI:NL:RBDHA:2020:5932

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2020
Publicatiedatum
1 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2645
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bezwaar gemaakt tegen het besluit tot intrekking van zijn bijstandsuitkering en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen wordt getroffen bij onverwijlde spoed. In financiële geschillen is dit niet snel het geval omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald, tenzij sprake is van een onomkeerbare situatie zoals faillissement of acute financiële nood.

Verzoeker stelt dat hij volledig afhankelijk is van de uitkering en inmiddels bij zijn zoon is ingetrokken nadat hij zijn huurovereenkomst heeft opgezegd. De voorzieningenrechter acht echter niet aannemelijk dat er een acute financiële noodsituatie is, mede omdat verzoeker geen woonlasten meer heeft en onvoldoende bewijs is geleverd dat hij zijn zorgpremie niet kan betalen.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2645

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. G.A. Soebhag),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

ProcesverloopBij besluit van 4 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van verzoeker ingevolge de Participatiewet (Pw) per 20 februari 2020 ingetrokken, de over de periode van 20 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 verstrekte bijstand van € 344,72 teruggevorderd en dit bedrag geheel verrekend met het recht op vakantietoeslag.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak – in dit geval het bezwaar – het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij voor zijn inkomen afhankelijk is van de uitkering die hij genoot. Thans heeft hij in het geheel geen inkomen. Daardoor is verzoeker aangewezen op de eventuele hulp van derden en heeft hij zijn huurovereenkomst moeten opzeggen. Verzoeker is bij zijn zoon ingetrokken.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat op dit moment sprake is van een acute financiële noodsituatie die meebrengt dat de beslissing op bezwaar in de onderhavige zaak redelijkerwijs niet kan worden afgewacht. Zo is niet gebleken dat verzoeker, nu hij zijn huurovereenkomst heeft opgezegd en bij zijn zoon is ingetrokken, thans enige woonkosten en –lasten heeft welke hij dient te voldoen. Evenmin is met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat verzoeker zijn zorgpremie niet langer kan betalen. De voorzieningenrechter is voorts niet gebleken van een andere zeer dringende situatie die meebrengt dat de beslissing op bezwaar in de onderhavige zaak redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.
5. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2020 door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel