Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit, diende op 8 mei 2019 een asielaanvraag in die niet in behandeling werd genomen. Op 4 november 2019 deed hij aangifte van mensenhandel, welke door verweerder ambtshalve werd aangemerkt als aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op tijdelijke humanitaire gronden. Het Openbaar Ministerie besloot op 14 november 2019 het strafrechtelijk onderzoek voortijdig te beëindigen, waarna de aanvraag voor de verblijfsvergunning op 15 november 2019 werd afgewezen.
Eiser stelde dat hij vanaf zijn aanmeldgehoor op 10 mei 2019 recht had op een verblijfsvergunning op grond van Richtlijn 2004/81/EG en het arrest Rantsev, en dat het beleid van verweerder om pas een vergunning te verlenen na bericht van het OM in strijd was met de Richtlijn. De rechtbank oordeelde dat het beleid conform artikel 8 van Pro de Richtlijn juist is en dat de verblijfsvergunning alleen kan worden verleend indien een strafrechtelijk onderzoek of gerechtelijke procedure loopt.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning, omdat het OM had aangegeven dat zijn aanwezigheid niet langer noodzakelijk was. Ook de bedenktijd zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Richtlijn geeft geen recht op verblijf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel wordt ongegrond verklaard.