ECLI:NL:RBDHA:2020:6123

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2020
Publicatiedatum
7 juli 2020
Zaaknummer
AWB 20/1290
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 Verdrag betreffende de werking van de Europese UnieArt. 8 EVRMLey 12/2009 art. 43 lid 1 onder bVreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op afgeleid verblijfsrecht als derdelander-ouder op grond van EU-recht

Eiser, een Somalische nationaliteit dragende derdelander, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af te wijzen. Eiser stelt dat hij als ouder van minderjarige Nederlandse kinderen een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en beroept zich op het arrest Chavez-Vilchez.

De staatssecretaris heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en betoogt dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het genoemde EU-recht en dat de kinderen van eiser niet gedwongen worden de Europese Unie te verlaten omdat zij zich met hem in Spanje kunnen vestigen. Eiser voert aan dat zijn verblijfsvergunning in Spanje inmiddels is verlopen en dat vestiging in Spanje geen reële optie is, mede vanwege de Nederlandse nationaliteit van zijn kinderen.

De rechtbank oordeelt dat ten tijde van het bestreden besluit eiser nog rechtmatig verblijf had in Spanje en dat de kinderen van eiser daardoor niet worden gedwongen de EU te verlaten. De rechtbank wijst erop dat de ex-tunc toets in beroep niet toelaat om de inmiddels verlopen verblijfsvergunning mee te wegen. Ook is onvoldoende gebleken dat het verblijfsrecht in Spanje daadwerkelijk is beëindigd. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt, omdat dit niet kan leiden tot afgifte van het gevraagde document. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/1290
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,
gemachtigde: mr. M.S. Yap,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 januari 2020 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is er geen zitting gehouden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft drie minderjarige Nederlandse kinderen: [naam 2], [naam 3] en [naam 4] en stelt traditioneel gehuwd te zijn met hun moeder, [naam 5]. Eiser verblijft sinds 20 februari 2019 in Nederland en heeft op 30 april 2019 een aanvraag ingediend voor toetsing aan het EU-recht en verlening van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vw. [1] Hij stelt dat hij als derdelander-ouder een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. [2] Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van Pro het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. [3] Bij weigering aan eiser een verblijfsrecht toe te kennen, zullen zijn kinderen niet gedwongen worden om de Europese Unie te verlaten. Eiser heeft namelijk een kopie van een verblijfsdocument uit Spanje overgelegd, dat geldig is tot 19 februari 2020.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn verblijfsvergunning in Spanje inmiddels is verlopen en dat verweerder er daarom niet van kan uitgaan dat eiser nog rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Eiser verwijst daarbij naar Spaanse wetgeving [4] waarin is bepaald dat de subsidiaire beschermingsstatus eindigt indien men het Spaans grondgebied heeft verlaten en zich elders vestigt. Dit is een beëindigingsgrond die van rechtswege van toepassing is. Ook indien eiser nog wel rechtmatig verblijf in Spanje zou hebben, is vestiging in Spanje geen optie. Het enkele gegeven dat zijn vrouw en kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, maakt niet onverkort dat zij zich in Spanje kunnen vestigen. Tot slot doet eiser een beroep op artikel 3.6b van het Vb [5] en stelt dat verweerder in zijn geval had moeten toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. [6] De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog rechtmatig verblijf had in Spanje. Verweerder heeft daarom op dat moment terecht geconcludeerd dat de kinderen van eiser niet worden gedwongen de Unie te verlaten als eiser geen verblijfsrecht krijgt. Zij kunnen zich dan immers met hem in Spanje vestigen. Dat daar voorwaarden aan verbonden zijn, betekent niet dat vestiging in Spanje niet mogelijk is. Eiser heeft niet aangetoond dat zijn gezinsleden niet aan die voorwaarden kunnen voldoen. Dat eisers verblijfsvergunning inmiddels is verlopen, kan gelet op de ex-tunc toets in beroep, niet bij de beoordeling betrokken worden. Overigens heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de verwijzing naar Spaanse wetgeving onvoldoende is om te concluderen dat eiser geen verblijfsrecht meer heeft in Spanje. Een daadwerkelijke bevestiging van de beëindiging van eisers verblijfsrecht van de Spaanse autoriteiten ontbreekt immers.
5. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM niet kan slagen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [7] volgt dat de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vw geen verdere strekking heeft dan dat het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt bevestigd. Een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM kan nooit leiden tot afgifte van het gevraagde document. Het beroep van eiser op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019 [8] kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit deze uitspraak volgt slechts dat verweerder in procedures zoals deze de bevoegdheid heeft om ambtshalve te beoordelen of een vreemdeling aanspraak heeft op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM en niet dat verweerder daartoe ook verplicht is. Als eiser zijn aanspraak op verblijf met het oog op artikel 8 van Pro het EVRM beoordeeld wenst te zien, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Verweerder heeft hem daar in het bestreden besluit al op gewezen.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2020.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, C-133/15
4.Ley 12/2009, de 30 de octubre, reguladora del derecho de asilo y de la protección subsidiaria, art. 43, eerste lid, onder b.
5.Vreemdelingenbesluit 2000
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:179