ECLI:NL:RBDHA:2021:2936
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van afgeleide verblijfsrechten EU-burger wegens onvoldoende aantoonbare zorgtaken
Eiser, een Ghanese nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op verblijf bij zijn minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit bezitten. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet aannemelijk maakte dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn kinderen en dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat de kinderen het EU-grondgebied zouden moeten verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.
Eiser voerde aan dat verweerder onjuist beleid toepaste, bewijsstukken ten onrechte afwees en de hoorplicht zou hebben geschonden. Hij stelde tevens dat de moeder de omgang met de kinderen frustreert en dat hij een declaratoir verblijfsrecht ontleent aan het Chavez-Vilchez arrest en de Verblijfsrichtlijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de juiste beleidsregels hanteerde en dat eiser onvoldoende bewijs leverde van daadwerkelijke zorgtaken. Foto’s, verklaringen en aankoopbonnen boden onvoldoende inzicht in de intensiteit en duur van de zorg. De weerstand van de kinderen tegen omgang en de verklaring van de moeder wekten twijfel over de stelling van eiser. De rechtbank verwierp het beroep op artikel 8 EVRM Pro in deze procedure en concludeerde dat de hoorplicht niet werd geschonden omdat geen redelijk vermoeden bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende aannemelijkheid van daadwerkelijke zorgtaken en afhankelijkheidsverhouding.