ECLI:NL:RBDHA:2020:6561
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voorrangsverklaring wegens ontbreken maatschappelijke binding met gemeente Den Haag
Eiseres diende op 20 maart 2019 een aanvraag in voor een voorrangsverklaring op sociale gronden, nadat zij met haar twee kinderen was verhuisd vanwege het ontbreken van steun van haar familie en een onveilige thuissituatie. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 29 van Pro de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019, met name het criterium van minimaal één jaar ingezetenschap of maatschappelijke binding.
Eiseres stelde dat zij wel degelijk een maatschappelijke binding met Den Haag heeft, mede omdat zij de afgelopen tien jaar minstens zes jaar onafgebroken in Den Haag zou hebben gewoond, ondanks een periode in een vrouwenopvang die niet in de Basisregistratie Personen (BRP) was verwerkt. De rechtbank oordeelde dat uit de BRP-gegevens blijkt dat eiseres niet onafgebroken zes jaar in Den Haag heeft gewoond en dat haar stelling onvoldoende onderbouwd was.
Daarnaast werd het begrip maatschappelijke binding uitgelegd aan de hand van de Huisvestingswet 2014 en de toelichting daarbij, waaruit volgt dat het gaat om een expliciete en actuele bijdrage aan de lokale gemeenschap, niet louter familiebanden of een sociaal netwerk. Eiseres had dit niet aangetoond.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een voorrangsverklaring en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is gezien de schaarste op de woningmarkt en de situatie van eiseres. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een voorrangsverklaring wordt ongegrond verklaard.