ECLI:NL:RVS:2020:6
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorrangsverklaring vanwege onvoldoende aantonen onoplosbare woonsituatie
De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een voorrangsverklaring door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Appellant woont sinds 2012 in een kamer en zijn echtgenote woont sinds 2015 bij hem, maar mag zich niet inschrijven op het adres. De echtgenote wordt lastiggevallen door een medebewoonster, wat tot een ontwrichtende woonsituatie zou leiden. Appellant vroeg daarom een voorrangsverklaring aan, die het college op 3 april 2019 afwees omdat het woonprobleem volgens hen op andere wijze kan worden opgelost, bijvoorbeeld door huren op de particuliere markt.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn woonsituatie niet zelf kon oplossen en dat de situatie zich onvoldoende onderscheidt van andere woningzoekenden in de regio. Ook de toepassing van de hardheidsclausule werd afgewezen.
In hoger beroep bij de Raad van State betoogde appellant dat hij ook buiten de regio weinig kans heeft op een woning en dat de situatie ontwrichtend is, ondersteund door medische gegevens. De Raad van State oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij niet aan de bovenliggende voorwaarden voldoet, zoals vereist in artikel 29 van Pro de Huisvestingsverordening. Het college heeft terecht de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld en de rechtbank heeft het standpunt van het college terecht gevolgd. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de voorrangsverklaring bevestigd.