ECLI:NL:RBDHA:2020:6729

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2020
Publicatiedatum
20 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4031
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij IOAW-uitkering

Eiseres maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag die haar IOAW-uitkering per 1 maart 2018 wijzigden en terugvordering van te veel betaalde uitkering over de periode maart tot en met december 2018 beoogden.

Verweerder verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank, maar dit werd na beoordeling van de termijn niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift te laat was ingediend.

Eiseres voerde persoonlijke stress door ernstige ziekte van haar zoons en een aanstaande verhuizing aan als verzachtende omstandigheden, maar de rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen verschoonbare reden vormden voor de overschrijding. Het wachten met indienen vanwege de verhuizing was een eigen keuze en de gevolgen daarvan komen voor eigen rekening.

De rechtbank kon daardoor niet inhoudelijk op de bezwaren ingaan en wees het beroep af wegens niet-ontvankelijkheid. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/4031

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2019 (primair besluit I) heeft verweerder de aan eiseres toegekende uitkering krachtens de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) per 1 maart 2018 gewijzigd naar de norm van kostendeler.
Bij besluit van 8 januari 2019 (primair besluit II) heeft verweerder de IOAW-uitkering van eiseres over de periode van 1 maart 2018 tot en met 31 december 2018 herzien en de over die periode te veel betaalde IOAW-uitkering van eiseres teruggevorderd.
Bij besluit van 6 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen voornoemde primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Bij schrijven van 20 juni 2019 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank, gericht tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2019. De rechtbank moet eerst beoordelen of het beroep tijdig is ingediend.
2. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9 van Pro de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, met dien verstande dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
3. Nu het bestreden besluit op 6 mei 2019 is bekend gemaakt door verzending naar het bij verweerder bekende adres van eiseres, diende het beroepschrift gelet op de beroepstermijn van zes weken, vóór 18 juni 2019 te zijn ingediend.
4. Het beroepschrift is bij de griffie van de rechtbank ontvangen op 20 juni 2019, nadat eiseres haar beroepschrift eerder die dag persoonlijk had afgegeven bij de centrale balie van de rechtbank. Het beroepschrift is derhalve niet tijdig ingediend.
5. Desgevraagd heeft eiseres bij brief van 29 augustus 2019 een verklaring gegeven voor de termijnoverschrijding. Eiseres stelt daarin dat zij te laat beroep heeft ingesteld omdat zij te maken had met persoonlijke stress met ernstige zieke zoons en omdat zij geld wilde besparen voor de verhuizing eind mei 2019.
6. De door eiseres genoemde omstandigheden geven naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Door eiseres is niet onderbouwd dat de door haar gestelde omstandigheden haar hebben verhinderd om tijdig, desnoods op nader aan te voeren gronden, beroep in te stellen. Voorts is het de eigen keuze geweest van eiseres om te wachten met het indienen van haar beroepschrift vanwege een aanstaande verhuizing. De gevolgen van deze keuze dienen voor rekening en risico van eiseres te komen.
7. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van eiseres over de IOAW-uitkering. Het beroep is niet- ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk rechter, in aanwezigheid van
W.M. Colpa, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2020.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.