ECLI:NL:RBDHA:2020:6870
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Wijziging voorlopige voorziening inzake gebruik echtelijke woning en zorgregeling minderjarige na Noord-Ierse teruggeleidingsprocedure
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot wijziging van een voorlopige voorziening inzake het gebruik van de echtelijke woning en de zorgregeling voor het minderjarige kind van partijen. Dit verzoek volgde op een opdracht van een Noord-Ierse rechter aan partijen om na een teruggeleidingsprocedure een veilige terugkeer van het kind naar Nederland te bewerkstelligen.
De rechtbank stelde vast dat zij rechtsmacht heeft omdat de gewone verblijfplaats van partijen en het kind in Nederland is en dat Nederlands recht van toepassing is. De moeder (verzoekster) verzocht om wijziging van de beschikking, zodat de moeder het gebruik van de echtelijke woning exclusief krijgt toegewezen en de vader de woning moet verlaten. Dit was een voorwaarde gesteld door de Noord-Ierse rechtbank.
De rechtbank wijzigde de beschikking in die zin dat de moeder exclusief gebruik krijgt van de woning, met onmiddellijke uitvoerbaarheid. De zorgregeling en toevertrouwing van het kind aan de moeder werden aangehouden tot een nader te bepalen zitting, omdat het kind nog niet in Nederland is en partijen geen overeenstemming hebben bereikt. Tevens wees de rechtbank het verzoek tot afgifte van een laissez-passer af, omdat zij daartoe niet bevoegd is.
Partijen werden opgedragen hun verhinderdagen door te geven voor de periode van 15 augustus tot 1 oktober 2020. De rechtbank verwees tevens naar een lopende bodemprocedure waarin definitieve beslissingen over verblijfplaats en zorgregeling kunnen worden genomen.
Uitkomst: De rechtbank wijzigt de voorlopige voorziening en kent exclusief gebruik van de echtelijke woning toe aan de moeder, terwijl verdere beslissingen over zorgregeling worden aangehouden.