ECLI:NL:RBDHA:2020:6906
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Rohingya wegens onvoldoende aannemelijkheid en risico op schending artikel 3 EVRM
Eiser, een Myanmarese Rohingya, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege een incident op 9 mei 2017 waarbij zijn tante's woning werd doorzocht, en de daaruit voortvloeiende onderduikperiode, risico liep op vervolging en ernstige schade bij terugkeer naar Myanmar.
Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij afkomstig was uit Rakhine en dat hij persoonlijk werd bedreigd. De rechtbank oordeelde dat het paspoort van eiser authentiek was en dat hij onvoldoende bewijs leverde dat dit frauduleus was verkregen. Ook was het niet aannemelijk dat het incident specifiek op eiser gericht was.
Hoewel de situatie voor Rohingya in Myanmar moeilijk is, concludeerde de rechtbank dat eiser in [geboorteplaats 2] een normaal leven kon leiden zonder direct risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard. Tevens werd de door verweerder toegekende dwangsom wegens niet tijdig beslissen niet onterecht geacht, omdat de vertraging aan eiser kon worden toegerekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.