ECLI:NL:RBDHA:2020:6996
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Vernietiging woningsluiting wegens onevenredigheid en onvoldoende noodzaak
Verzoekers, woonachtig met minderjarige kinderen in de woning, werden geconfronteerd met een besluit van de burgemeester van Zoetermeer tot sluiting van hun woning wegens aangetroffen handelshoeveelheden drugs. De burgemeester baseerde zich op artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting vanwege de aangetroffen hoeveelheden cocaïne en cannabis die duiden op drugshandel. Verzoekers betwisten feitelijke handel en stellen dat zij niet op de hoogte waren van de drugs. De rechter stelt vast dat de drugs uitsluitend in de slaapkamer van de meerderjarige zoon zijn aangetroffen en dat verzoekers niet verwijtbaar zijn.
De rechter concludeert dat de noodzaak tot sluiting minder groot is dan de burgemeester aannam, mede omdat er geen overlast of handel vanuit de woning is vastgesteld en het geldbedrag niet aan een strafbaar feit kan worden gekoppeld. Gezien de belangenafweging, waaronder de aanwezigheid van minderjarige kinderen en het vertrek van de zoon, is de sluiting onevenredig.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit tot woningsluiting. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang daarvan is komen te vervallen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten van verzoekers.
Uitkomst: Het besluit tot woningsluiting wordt vernietigd wegens onevenredigheid en onvoldoende noodzaak.