ECLI:NL:RBDHA:2020:7065
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Verzoeker, vader van een Nederlands minderjarig kind en houder van de Turkse nationaliteit, heeft een bijstandsuitkering ontvangen die per 2 april 2020 is ingetrokken wegens het ontbreken van een rechtmatig verblijf in Nederland. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen deze intrekking en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker sinds 19 maart 2020 geen rechtmatig verblijf meer heeft, omdat zijn aanvraag voor een verblijfsdocument op basis van afgeleid verblijfsrecht is afgewezen en het bezwaar hiertegen ongegrond is verklaard. Verzoeker betoogt dat zijn beroep bij de rechtbank opschortende werking heeft, maar dit wordt door de voorzieningenrechter verworpen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de relevante jurisprudentie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen recht heeft op bijstand vanaf 19 maart 2020 en dat het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig verblijf.