ECLI:NL:CRVB:2016:2923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens ontbreken rechtmatig verblijf vreemdeling
Appellante, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na intrekking van haar verblijfsvergunning werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de intrekking een schending van artikel 14 EVRM Pro (verbod op discriminatie) en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (eigendom) vormde, en dat de bijstand niet mocht worden ingetrokken voordat een rechter uitspraak had gedaan over haar verblijfsrecht. De Raad oordeelde dat het onderscheid in bijstandverlening op grond van verblijfstatus objectief en redelijk gerechtvaardigd is, mede vanwege het koppelingsbeginsel tussen verblijfsrecht en sociale voorzieningen.
Verder stelde de Raad vast dat de intrekking niet leidde tot een individuele en buitensporige last voor appellante, ondanks haar medische situatie en dreigende woningontruiming. Ook wees de Raad het beroep op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens af, omdat deze niet relevant waren voor de nationale regeling.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand aan de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.