Eisers hebben beroep ingesteld tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vanwege het niet tijdig beslissen op hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank stelt vast dat verweerder te laat is met het nemen van een besluit en dat eisers hem op 11 december 2019 in gebreke hebben gesteld. Sindsdien zijn meer dan twee weken verstreken zonder besluit.
Verweerder geeft aan dat er door achterstanden en een veranderde samenstelling van zaken geen concrete termijn kan worden gegeven voor besluitvorming en dat voorrang aan deze zaak niet mogelijk is zonder nadelige gevolgen voor eerdere aanvragen. De rechtbank overweegt dat eisers nog geen kans hebben gehad hun aanvraag te onderbouwen, waardoor nog niet duidelijk is welke procedure van toepassing is.
De rechtbank legt een uiterlijke beslistermijn van acht weken op om zowel het belang van eisers bij tijdige besluitvorming als het belang van verweerder bij zorgvuldigheid te waarborgen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500, lager dan het landelijke maximum, om de termijn van dwangsomverbeuring te verkorten. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €262,50 aan eisers.
De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra en griffier P.W. Hogenbirk, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Eisers kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.