ECLI:NL:RBDHA:2020:7184
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake familieleven en machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster, van Syrische nationaliteit, heeft een aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Zij beriep zich op artikel 8 EVRM Pro en stelde dat sprake is van familieleven met haar meerderjarige dochter en minderjarige kleinkinderen in Nederland.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanvraag voorlopig niet kan worden toegewezen omdat de kans dat het bezwaar succesvol zal zijn klein is. Verweerder heeft betoogd dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen verzoekster en haar dochter, noch hechte persoonlijke banden met de kleinkinderen, mede gelet op de afstandsrelatie door verblijf in het buitenland.
Verzoekster stelde dat zij vanwege haar medische situatie en afhankelijkheid van de familie niet zelfstandig kan functioneren en dat de banden met haar kleinkinderen hecht zijn. De voorzieningenrechter erkent dat verweerder in de bezwaarprocedure nader moet beoordelen of sprake is van familieleven, maar ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter acht het redelijk dat verzoekster het bezwaar in Turkije afwacht, mede omdat er een sociaal netwerk is en financiële ondersteuning vanuit Nederland mogelijk is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de kans op succes van het bezwaar klein is.