ECLI:NL:RVS:2017:2050
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning wegens ontbreken samenwoning met partner
De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken omdat zij niet meer voldeed aan het vereiste van samenwoning met haar partner. De vreemdeling stelde dat de intrekking in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, vanwege haar relatie met het minderjarige kleinkind.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onterecht een toetsingskader hanteerde waarbij meer dan normale emotionele banden vereist waren tussen grootouder en kleinkind. De Raad van State bevestigde dat familie- en gezinsleven ook kan bestaan zonder samenwoning, mits er hechte persoonlijke banden zijn, wat in dit geval het geval was.
Desondanks concludeerde de Raad dat het Nederlandse algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het individuele belang van de vreemdeling. De vreemdeling woonde 48 jaar in Cuba en slechts twee jaar in Nederland, en kon de banden met het kleinkind ook vanuit Cuba voortzetten.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbetering van de gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning wordt bevestigd omdat het algemeen belang zwaarder weegt dan het individuele belang van de vreemdeling.