ECLI:NL:RBDHA:2020:731
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning gegrond verklaard en waarde verlaagd
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door verweerder was vastgesteld op €914.000. Eiser had bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en beroep ingesteld wegens vermeende overschrijding van termijnen en schending van de hoorplicht.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk is, ondanks termijnoverschrijding, omdat de gemachtigde van eiser pas laat kennis had genomen van de uitspraak op bezwaar. Het bezwaar was eveneens ontvankelijk, aangezien verweerder geen verzoek om machtiging had gedaan en de gemachtigde zich voldoende had gesteld.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet had voldaan aan zijn bewijslast om de vastgestelde waarde te onderbouwen, omdat de vergelijkingsobjecten onvoldoende waren toegelicht. Eiser kon zijn lagere waarde van €840.000 niet aannemelijk maken met een oud taxatierapport. Daarom bepaalde de rechtbank de waarde in goede justitie op €870.000.
Verder oordeelde de rechtbank dat geen dwangsom toegekend kon worden wegens het ontbreken van een aannemelijke ingebrekestelling en dat de hoorplicht niet was geschonden omdat geen verzoek tot hoorzitting was gedaan. De proceskosten werden aan eiser toegekend. De beschikking en aanslag werden dienovereenkomstig gewijzigd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €870.000.