ECLI:NL:RBDHA:2020:7736

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2020
Publicatiedatum
13 augustus 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7987
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 2 Richtlijn 2003/86/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie

Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan in het kader van nareis, ingediend door haar vermeende echtgenoot (referent). De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres haar identiteit en de familierechtelijke relatie met de referent niet aannemelijk had gemaakt. Eerder was een mvv-aanvraag afgewezen omdat eiseres niet beschikbaar was voor nader onderzoek.

Eiseres stelde dat verweerder het vertrouwensbeginsel had geschonden door bij de eerdere aanvraag onderzoek te willen verrichten, wat haar het vertrouwen gaf dat haar identiteit was aangenomen. Zij voerde aan dat zij haar identiteit aannemelijk had gemaakt met documenten van het UNHCR en dat zij vanwege haar woonplaats en persoonlijke omstandigheden geen identiteitskaart had. Verweerder achtte deze documenten niet substantieel en vond de verklaringen summier.

De rechtbank oordeelde dat verweerder geen concrete toezegging had gedaan die het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt en dat elke aanvraag op eigen merites wordt beoordeeld. De overgelegde documenten waren onvoldoende om nader onderzoek te rechtvaardigen. Omdat de identiteit niet was aangetoond, kon ook de familierechtelijke relatie niet worden vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/7987

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder(gemachtigde: mr. F. Gieskes).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen.
Bij besluit van 23 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 7 juli 2020. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens zijn verschenen [referent] (referent) en een tolk, S.B. Aniania.

Overwegingen

1.1.
Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1998 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Referent, de gestelde echtgenoot van eiseres, heeft een mvv-aanvraag ingediend namens eiseres in het kader van nareis.
1.2.
Namens eiseres is een eerdere mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend. Deze aanvraag is destijds afgewezen, omdat eiseres niet beschikbaar was voor nader onderzoek door een gehoor.
2. Verweerder heeft de huidige aanvraag afgewezen omdat eiseres haar identiteit en familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond dan wel aannemelijk heeft gemaakt. Nu eiseres niet in bewijsnood verkeert ten aanzien van haar identiteit en zij geen substantieel indicatieve documenten heeft overgelegd, wordt ook geen nader onderzoek ingesteld naar de identiteit en familierechtelijke relatie.
3.
Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, omdat verweerder bij haar eerdere mvv-aanvraag onderzoek wilde verrichten naar de gestelde familierechtelijke relatie. Aan deze eerdere beslissing heeft eiseres het vertrouwen ontleend dat haar identiteit door verweerder is aangenomen, dan wel dat bewijsnood is aangenomen, en dat bij de huidige aanvraag ook onderzoek zou worden aangeboden. Verder voert eiseres aan dat zij haar identiteit aannemelijk heeft gemaakt, dan wel dat zij hiervoor in bewijsnood verkeert. Eiseres woonde op het platteland, waar het hebben van een identiteitskaart minder belangrijk is. Voorts heeft zij op haar achttiende bewust geen identiteitskaart aangevraagd, omdat zij dan in dienst had gemoeten. Eiseres heeft haar school verlaten voordat via die weg aan haar een identiteitskaart is verstrekt. Ter onderbouwing van haar identiteit heeft ze een kopie van haar rantsoenkaart van het UNHCR overgelegd en een kopie van een ‘proof of registration’ van het UNHCR. Eiseres voert verder ten aanzien van haar familierechtelijke relatie met referent aan dat verweerder het rapport van Bureau Documenten over haar kerkelijke huwelijksakte niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit, nu het rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen en evenmin naar inhoud inzichtelijk is. Het laten uitvoeren van een contra-expertise is momenteel onmogelijk voor eiseres. Zij beroept zich hierbij op het beginsel van equality of arms.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuwe vaste gedragslijn voor het beoordelen van nareiszaken. Deze houdt – kort weergegeven – in dat verweerder ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten in zijn beoordeling betrekt, ongeacht of er sprake is van bewijsnood. Deze kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen of de vreemdeling een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van officiële documenten, of bedoelde andere bewijsmiddelen substantieel bewijs opleveren en of er sprake is van contra-indicaties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508) geoordeeld dat deze gedragslijn in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van Richtlijn 2003/86/EG.
4.2.
De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts kan slagen als een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een belanghebbende een concrete en ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Bovendien dient het vertrouwen gewekt te zijn door een gedraging die in de omstandigheden van het geval in redelijkheid de gestelde verwachtingen heeft kunnen wekken.
4.3.
De rechtbank constateert dat aan eiseres bij haar eerdere aanvraag nader onderzoek is aangeboden om de feitelijke gezinsband tussen haar en referent vast te stellen. De aanvraag is destijds afgewezen omdat dit onderzoek niet mogelijk was en de feitelijke gezinsband dus niet kon worden vastgesteld. De rechtbank overweegt dat als de betreffende aanvrager wordt opgeroepen voor een gehoor, hieruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat verweerder de identiteit dan wel bewijsnood ten aanzien van de identiteit heeft aangenomen. Eiseres heeft aan het afwijzende besluit in de vorige aanvraagprocedure niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat haar identiteit door verweerder al was aangenomen dan wel dat verweerder bewijsnood had aangenomen ten aanzien van haar identiteit. Hierbij acht de rechtbank voorts van belang dat verweerder elke nieuwe aanvraag op zijn eigen merites beoordeelt waarbij een volledige (her)overweging plaatsvindt van alle relevante feiten en omstandigheden naar de stand van de algemene en bijzondere kennis op dat moment. Dat bij de huidige aanvraag geen nieuwe informatie aanwezig is, zoals eiseres stelt, maakt niet dat verweerder op basis van de eerdere afwijzing genoodzaakt was opnieuw onderzoek aan te bieden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afwijzende beschikking in de vorige aanvraagprocedure dan ook geen concrete en ondubbelzinnige toezegging van verweerder bevat dat de identiteit van eiseres is aangenomen dan wel dat bewijsnood ten aanzien van haar identiteit is aangenomen.
4.4.
Niet in geschil is dat eiseres geen officiële documenten heeft overgelegd om haar identiteit aan te tonen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiseres, die stelt in [geboorteplaats] , ( [geboortestreek] ) te zijn geboren, gelet op het gestelde omtrent identiteitsdocumenten in paragraaf 3.1.1 van het ambtsbericht 2018 en paragraaf 1.3 van het ambtsbericht 2019, ten aanzien van haar identiteit niet in bewijsnood verkeert. Verweerder heeft hiertoe mogen overwegen dat de verklaringen van eiseres over het ontbreken van identiteitsdocumenten summier en algemeen van aard zijn. Hierbij heeft verweerder ook verwezen naar de brieven die eiseres van verweerder heeft ontvangen, waarin aan haar is gevraagd om gedetailleerd uit te leggen waarom zij niet in het bezit is van identiteitsdocumenten. De verklaring van eiseres dat zij op haar achttiende bewust niet om een identiteitskaart heeft gevraagd vanwege het risico op dienstplicht, dat zij op school geen identiteitskaart heeft gekregen en dat zij op het platteland woonde heeft verweerder onvoldoende mogen achten om bewijsnood aan te nemen.
4.5.
De kopie van een rantsoenkaart van de UNHCR, de kopie van een ‘proof of registration’ van de UNHCR en de kopie van een doopakte heeft verweerder niet als substantieel indicatieve documenten aan hoeven merken. Verweerder heeft ten aanzien van de rantsoenkaart mogen overwegen dat dit document niet de vereiste gegevens bevat zoals een pasfoto of geboortedatum. Ter zitting heeft verweerder zich verder over het ‘proof of registration’ terecht op het standpunt gesteld dat de informatie op dit document is gebaseerd op de verklaringen van eiseres zelf. Daardoor kan aan dit document niet de waarde worden gehecht die eiseres wenst. Tot slot heeft verweerder over de doopakte mogen stellen dat de authenticiteit van dit document niet vast is te stellen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de overgelegde documenten als onvoldoende mogen beschouwen om nader onderzoek aan te bieden naar de identiteit van eiseres.
5. Nu de identiteit van eiseres niet is aangetoond dan wel aannemelijk is gemaakt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke relatie met referent niet kan worden vastgesteld. De rechtbank komt dan ook niet toe aan verdere bespreking van wat over de familierechtelijke relatie is aangevoerd.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2020.
griffier rechter
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.