Uitspraak
3.Intrekking Nederlanderschap (SGR 19/8059)
Overige beroepsgronden
Rechtbank Den Haag
Eiser, geboren in 1982 te Amsterdam en sinds 2000 Nederlander, verbleef sinds 2012 in Syrië en sloot zich aan bij ISIS. Op grond van een ambtsbericht van de AIVD werd vastgesteld dat hij tot na 11 maart 2017 bij deze terroristische organisatie was aangesloten en administratieve medische werkzaamheden verrichtte.
De staatssecretaris trok op 3 december 2019 het Nederlanderschap van eiser in op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en verklaarde hem tot ongewenst vreemdeling op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), wegens gevaar voor de nationale veiligheid en het belang van de internationale betrekkingen.
Eiser voerde onder meer aan dat de procedure onrechtmatig was vanwege het ontbreken van inzage in onderliggende stukken van het ambtsbericht en dat de maatregel disproportioneel was. De rechtbank oordeelde dat de procedure met waarborgen was omkleed en dat het ambtsbericht voldoende feitelijke en kenbare informatie bevatte. De intrekking en ongewenstverklaring waren noodzakelijk en proportioneel in het belang van de nationale veiligheid.
De rechtbank wees het beroep af en bevestigde de besluiten. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, en mr. M.J.L. van der Waals en mr. G.P. Kleijn, leden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring van eiser.