Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2020 in de zaak tussen
[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster(gemachtigde: mr. T.Y. Tsang),
(gemachtigde: P. Bos).
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg waarbij haar recht op bijstand is beëindigd en terugvordering is ingesteld. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend bij onverwijlde spoed. In financiële geschillen is dat niet snel het geval omdat na afloop van de bodemprocedure terugbetaling met rente mogelijk is. Verzoekster stelde dat zij zonder uitkering niet kan leven, betalingsachterstanden heeft, schulden, dreigende afsluiting van nutsvoorzieningen, geen zorgverzekering en dreigende huisuitzetting. Deze stellingen werden echter onvoldoende onderbouwd met objectieve stukken.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen acute noodsituatie is die het afwachten van de beslissing op bezwaar redelijkerwijs onmogelijk maakt. Het ontvangen dwangbevel en het ontbreken van bewijs van beslaglegging of onbeschermde schulden rechtvaardigen geen spoedeisend belang. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.