Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Tegen dit besluit heeft eiser op 9 februari 2018 bezwaar gemaakt.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 16 oktober 2018 bezwaar gemaakt.
Overwegingen
1.1 Referent is bij besluit van 17 augustus 2015 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Bij afzonderlijke besluiten van 9 maart 2017 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Verweerder heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de aanvragen weliswaar zijn ingediend binnen de termijn van drie maanden na de dag waarop aan referent een verblijfsvergunning asiel is verleend, maar dat niet is voldaan aan de voorwaarden van het nareisbeleid. Eisers hebben hun gestelde identiteit onvoldoende aangetoond en hun gestelde familierechtelijke relatie met referent niet met stukken onderbouwd. Voorts is van bewijsnood niet gebleken. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
De afwijzing van deze aanvragen ligt in deze procedure ter beoordeling voor.
Het Hof heeft echter in punt 61 ook uitdrukkelijk overwogen dat de lidstaat mag verlangen dat een (minderjarige) vluchteling zijn verzoek om gezinshereniging binnen een redelijke termijn indient en dat in beginsel een termijn van drie maanden als een redelijke termijn wordt beschouwd waarbinnen een dergelijk verzoek moet worden ingediend. Het Hof heeft dat in het later gewezen arrest K. en B. herhaald en overwogen dat wanneer het verzoek na die termijn is ingediend, de gewone regeling voor gezinshereniging mag worden toegepast in plaats van de voorkeursregeling die normaliter op vluchtelingen van toepassing is.
De rechtbank ziet in de hiervoor geciteerde overwegingen van het Hof geen aanleiding om eisers te volgen in hun stelling dat deze voorkeursregeling voor (minderjarige) vluchtelingen ook had moeten worden toegepast bij de beoordeling van de onderhavige aanvragen die ruimschoots na de termijn van drie maanden zijn ingediend.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.050,- te betalen;
- draagt verweerder op € 174,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.